| Preek van de week |
|
|
||
| 25 oktober - dertigste zondag |
|
|
Lezingen:
Jeremia 31,7-9
Wenst u de preken
thuis in uw elektronische postbus
te ontvangen?
U kunt
reageren
|
|||||||||
|
Hoe
dikwijls heb ik mensen al niet de bedenking horen maken: 'Mocht ik
opnieuw kunnen beginnen, ik zou bepaalde dingen toch anders aanpakken,
want nu pas besef ik beter waar ik vroeger blind voor was.' Zulke
bedenking maakt ook Marcus, wanneer hij dertig, veertig jaar na Jezus'
dood, zijn evangelie schrijft: Hoe hebben we toen zo dom kunnen zijn!
Wat waren wij toen toch blind. Zo blind dat Jezus op een bepaald moment
moest zeggen: 'begrijpen en verstaan jullie het nu nog altijd niet?
Jullie hebben toch ogen, zien jullie dan niet?' (Marcus 8,17-18) Bijbelse verhalen zijn 'iconografische' teksten. Dat
zijn teksten die bedoeld zijn om de gedachtenis aan een bepaalde persoon
levendig te houden; om de kracht die van een bepaalde persoon uitging
door te geven. Denk maar even terug aan de heiligverklaring van pater
Damiaan. Hoe tijdens de eucharistieviering uit de verhalen die over hem
werden verteld duidelijk werd wie hij was en wat hij gedaan had, en hoe
zijn foto op het Sint-Pietersplein getuigde van zijn heldhaftige inzet
voor de melaatsen. Op die foto is te zien hoe hijzelf op het einde van
zijn leven melaats was geworden met de melaatsen. Met zulke verhalen en
vieringen houdt men de persoon van Damiaan levend en wil men de kracht
die van hem uitging ook vandaag nog doorgeven.
Zo zouden ook wij het evangelieverhaal kunnen
bekijken. Bar-timeüs is het voorbeeld van een volwaardige leerling. Want
Jezus ontmoet bij hem geen onbegrip, maar geloof; geen tegenwerking,
maar bereidheid om hem na te volgen. Als wij het voorbeeld van Jezus'
volgeling Bar-timeüs levendig houden en als wij onszelf in hem herkennen,
geeft ons dat de kracht om onze manier in de wereld van vandaag
hetzelfde te doen.
Kijk maar eens naar wat er gebeurde met die blinde
'zoon van Timeüs' (dat betekent de naam Bar-timeüs). Uitgerangeerd zat
hij langs de weg. De omstanders vonden dat hij zich dan ook het best op
de achtergrond hield. Als hij hoorde wie daar voorbijkwam, herleefde
zijn hoop en kreeg hij weer vertrouwen in het leven. Heel zijn wezen
kwam in beweging. Hij wierp zijn mantel af, sprong op en liep naar Jezus
toe. Na zijn genezing sloot hij zich aan bij de volgelingen van Jezus en
ging met hem op weg.
Dit laatste is de pointe van het verhaal: je kunt
Jezus pas echt zien en te weten komen wie hij is als je hem navolgt. Het verhaal van vandaag vertelt over mensen die
roepen om gezien te worden en mensen die anderen niet zien staan. Over
mensen die voorbijgelopen worden, die hun verdriet uitschreeuwen maar
wie de mond worden gesnoerd. In het soms wrange beeld van de mens dat
Marcus schetst herkennen we elkaar, maar ook onszelf. Maar Marcus laat
tegelijk ook een ánder beeld van de mens zien: het beeld van hen die
hopen en vertrouwen op genezing; het beeld van mensen die wél stilstaan
bij andermans verdriet en die oog hebben voor al wie miskend wordt en
hoopt om door zij medemensen gezien te worden.
Diep in elk mensenhart leeft het verlangen dat we
mogen zien wat werkelijk waarde heeft in het leven. Dat we mogen zien
waar het op aankomt: het verlangen namelijk dat we een naam en een
gezicht krijgen voor elkaar. Dat vertrouwen je kan redden. Dat God
toekomst schept.
Wie leeft vanuit een verwachting, ziet verder dan
anderen. Wie leeft vanuit een grote liefde, ziet dieper dan anderen. Wie
leeft vanuit het geloof, ziet méér dan anderen.
Want alles wat ons in het leven overkomt wordt dan
belicht vanuit een ander perspectief. Vanuit het diepe mysterie van een
God die liefde is, die ons roept bij naam, die ons roept om mens te
worden naar zijn hart. En dat is geloven: zien met nieuwe ogen, zien van
binnenuit, zien met het hart. Proberen te leven als kinderen van het
licht. Jezus achterna.
Gerard Braet o.p.
|
| |